Column

De bloemen van Jan Siebelink

Postbode Ruud reikte Piet Kaptein een boek aan en meteen was hij in de ban ervan. De schoonheid schitterde hem toe, het thema bekoorde hem zeer, de aanpak beviel hem enorm. Een van zijn favoriete schrijverswerd bij diens 80ste jaardag in de bloemen gezet. Hij legt voor u op de toonbank de 288 bladzijden tellende, gaaf geïllustreerde hardcover ‘De bloemen van Jan Siebelink’ van Jan Siebelink himself en uitgeverij De Bezige Bij.

Lees verder :rtvpapendrecht.nl

Ik weet nog uur en dag dat ik zijn eersteling ‘Witte chrysanten’ tot mij nam en even later aan mijn leerlingen havo/atheneum voorlegde. Het was 1974 en de jaren daarna heb ik vaak de verhalenbundel ‘Nachtschade’ opgeslagen om opnieuw in de bekoring te komen van een brok proza dat naar vorm en inhoud mij diep trof. Vooral de verhaalde religieuze beslommeringen deden veel met mij. Jan Siebelink heb ik na zijn debuut gevolgd, wat culmineerde bij het verschijnen in 2005 van zijn bestseller ‘Knielen op een bed violen’. Twee jaar na die komst mocht ik met dominee Piet van Die en auteur Jan Siebelink een drieluik over ‘Knielen op een bed violen’ in de plaatselijke Morgensterkerk organiseren. Van Die ging voor de religieuze feedback, Siebelink voor het proces van schrijven en ik voor de structurele aspecten. Tijdens en na de drie leeszittingen, in een volle kerkzaal, bleek hoeveel lezers, vooral vanwege de godsdienstige motieven, in de slipstream van de roman geraakt waren. In ‘De bloemen van Jan Siebelink’ staan nu talrijke citaten over meer dan honderd bloemen en planten, niet alleen uit ‘Witte chrysanten’ en ‘Knielen op een bed violen’ maar uit zijn gehele oeuvre. Dus ook uit het boek waarover wij vorig jaar hier van gedachten wisselden: ‘De buurjongen’. De hoofdpersoon is buurjongen van de verteller, Henk Wielheesen, die gedoemd is licht autistisch, eenvoudig van geest, verstandelijk beperkt door het leven te gaan en aan het slot van zijn bestaan op aarde via zijn stiefbroer Ruben van een verpleegster toegefluisterd krijgt ‘Die man, vanaf de eerste dag dat ik hem ontmoette, heeft hij mij ontroerd. Ik weet niet waarom. Misschien het zachtmoedige, het onschuldige.’ En als hij de laatste ademtocht geeft, zegt zij ‘Hem staat veel moois te wachten.’ Door de hele roman figureren bloemen en planten die nu een eigen rol krijgen toebedeeld met het relevante citaat en een ontroerend mooie afbeelding. Het houdt echter hiermee nog niet op, want Siebelink vult af en toe aan. Zo bij het item ‘Chrysant’. Ik citeer: ‘De variant die vader zijn leven lang kweekte was de dubbele witte troschrysant. Het liefst met zeven stengels brachten ze minder op. Ze behoorden in bloei te zijn op 2 november, de dag dat de katholieken Allerzielen vieren en witte chrysanten op de graven plaatsen. Deze plant eist extra telerskunst. Waren ze te vroeg of te laat in bloei, dan waren ze onverkoopbaar. De huidige potchrysant, vaak al te koop in de zomer – maar de chrysant is bij uitstek een herfstige bloem – heeft een groot scherm van talloze kleine bloemen. Ik vind dat ze er droevig uitzien, geen allure hebben. Wegens het onnatuurlijke snelle kweken komen de bloemen nooit helemaal uit. Vader kweekte ook gewoon snijchrysanten. Ik herinner me een witte variant met een geel hart. Als kind zag ik er eidooiers in. Het kwam voor dat, hoe mooi en compact de planten ook waren, de afnemer – in dit geval een grillige bloemenwinkelier – de chrysanten niet accepteerde. Mijn vrouw kreeg geen geld en keerde met de bestelling terug naar huis. Mijn allereerste verhaal ‘Witte Chrysanten’ (1974) vertelt zo’n incident (het is een jaar later opgenomen in mijn debuut ‘Nachtschade’). Met dit emotionerende, in decadente stijl geschreven vertelling, waaruit machteloosheid en religieuze berusting opklinken, kwam ik de literatuur binnen. Van verre kondigt dit verhaal ‘Knielen op een bed violen’ aan, dat ruim een kwarteeuw later, in 2005, zal verschijnen.’
‘De bloemen van Jan Siebelink’ is niet alleen een gave voor het gemoed maar ook een lust voor het oog. De afbeeldingen van de bloemen en planten, van aalbessenstruik (uit ‘Knielen op een bed violen’ en ‘De overkant van de rivier) tot en met zwaardlelie (eveneens uit ‘Knielen op een bed violen’), zijn verstilde schoonheden uit het voorbije, afgedrukt op een perkamentachtige kleur beige papier. De citaten uit de Siebelinks boeken plaatsen de schoonheden in de juiste context. Ik ga met u nog enkele malen grasduinen in dit sublieme boek. Voorlopig volsta ik met het doorgeven van de intro ‘Bij wijze van inleiding’ en van het gezegde bij asperge.
Bij wijze van inleiding: ‘Hou het stevig,’ zegt mijn vader, ‘met beide handen.’ Ik omklem het stokje. Vader loopt langzaam achterwaarts, de haspel met vliegertouw afwindend. Bij elke stap voel ik een klein rukje. Ik zet me schrap. Ik sta op het verharde pad langs de oude, voorover hellende zuidmuur waartegen perziken en morellen groeien. Vader loopt over pas omgespitte, glad geharkte aarde. Ter hoogte van de perenboom, midden op het land, blijft hij staan, zwaait naar mij. Ik steek het stokje vlak voor mijn voeten in de losse aarde. Wij zijn samen bezig een bed aan te leggen voor de gele primula veris. Dit is mijn allereerste herinnering aan de kwekerij. Het is eind oktober 1941, ik ben drie jaar. Nu doemt een ander beeld op. Een Duitse patrouille marcheert over het middenpad, houdt halt bij het waterbassin, het hoogste punt van de kwekerij. Vader komt uit de werkplaats, het verspeenrietje nog in zijn hand. De Wehrmacht-officier overhandigt hem een brief. Moeder komt bezorgd aanlopen, vraagt waar ik ben. Veel later heb ik begrepen wat er aan de hand was. Mijn vader moest verwarmde ruimte afstaan voor voedselproductie. Op een foto uit 1942 zie je in de broeibakken geen petunia’s, salvia’s of rode hanggeraniums, maar bonen, wortels, uien. Daar stond tegenover dat wij voor de winter cokes geleverd kregen.
Gentiaan, scabiosa, brandende liefde. Ik denk echte bloemen te zien. Nee, dat is de idee van de bloem. Die stijgt op, in een toon, een klank, een woord. Die fraaie namen zijn muziek. Daardoor wordt iets in beweging gezet, in mij. Mijn ziel? Het borrelt, popelt, hunkert naar licht. Een lichte duizeling, als bij een afgrond. En blijdschap, verwondering. De allerkleinste details neem ik waar, als was ik die kleine jongen van weleer. Geuren en tinten worden intenser, krijgen een nieuwe scherpte. Dan, uit dat verborgene, komen verhalen tevoorschijn. Schrijven is allereerst terugvinden. Planten en bloemen zijn voor mij vertrouwde tekens, bakens. Ze horen vanzelfsprekend bij het decor dat ik optrek voor mijn verhaal. Ik bedenk ze niet. Ze dringen zich niet op. Ze zijn er gewoon. Wegwijzers. Een vast element, zo verweven met wat mij bezighoudt dat ik altijd op ze kan terugvallen als het vertellen stagneert. Tegelijk verschijnen de bloemen en hun natuurlijke omgeving – blauwe korstmos in een voeg van een oude verzakte muur – in zoveel precieze details dat ze in al hun realisme toch emblematisch gaan werken. De nachtschade is als de giftigheid van een verhaal, de agapanthus de liefde. Elke ware realistische schrijver is een symbolist.’
Asperge: Asperge (veder-) [asparagus setaceus ] De deur van het veerhuis die op de tuin uitkwam, stond wijd open. Aan een hoek van de luifel hing ook een lamp. Hij verlichtte de drie treden die naar de tuin afliepen, en een crucifix in de gang. Achter het crucifix van donker hout was al lang geleden een takje asparagusgroen gestoken. Gele naaldjes lagen op Christus’ doornenkroon. Uit: ‘De overkant van de rivier’ [blz. 19] – Eén was verborgen achter de neerhangende, groene slingers van een oude asparagus op een schap. Uit: ‘De buurjongen’ [blz. 34] – Ik liep naar vaders bureau aan het zijraam. In de bovenste la lagen de nota’s die Wesseling nooit betaald had, per jaar bij elkaar gebonden, met een stukje vliegertouw. De vroegste dateerden van 1951: tien cyclamen f 20,- tien takjes bruidsgroen f 5,- et cetera. De woorden en de cijfers waren nauwelijks meer te lezen op de smoezelig geworden briefjes, waar vader zo vaak vergeefs mee in zijn hand had gestaan. Uit: ‘Hart en zomer [blz. 120] Siebelinks toevoeging: ‘Asperge (veder-) Een van de vijf broeikassen op de kwekerij was geheel ingericht op de teelt van bruidsgroen. De aan de asperge verwante wintergroene slingerplanten stonden in de volle grond. Ze produceerden meterslange, geveerde ranken die werden gebruikt voor tafelversiering en in bruidsboeketten. De kortere twijgjes dienden voor corsages. Vlak na de oorlog bestond een bruidsboeket uit witte anjers en asparagusgroen. Later kwam de witte fresia in de mode. Mijn vader ging met zijn tijd mee, gebruikte als een van de eersten in de omgeving de stefanotus en bracht zelfs meerdere soorten en tinten in één bruidsboeket samen. Zo maakte hij in 1965 voor zijn oudste schoondochter – mijn echtgenote – een boeket met de gedurfde combinatie roze trosroosjes en lelietjes-van-dalen. Overigens, gedurfd was ook dát hij bruidsboeketten maakte. De protestants-orthodoxe geloofsgemeenschap waartoe hij behoorde en die buiten elk kerkverband stond, verbood het bruidsboeket. Dat was maar divertissement en leidde af van de dingen waar het echt om ging – de eeuwige zaligheid. Mijn vader trok er zich niets van aan. Echter, bij zijn dood stond op het overlijdensbericht: ‘Geen bloemen’. Wij, de nabestaanden, hadden toegegeven aan de dringende eis van de Broeders.’