Column

De rechtvaardigen

PAPENDRECHT – Een nieuw boek van de man is bij voorbaat een literaire gebeurtenis in het non-fictieve genre, Nu wil het dat de schrijver 13 maart volgend jaar zijn opwachting in Papendrecht maakt. Hetvereert Piet Kaptein u te mogen aankondigen de 502 bladzijden tellende, gul geïllustreerde paperback ‘De rechtvaardigen’ van Jan Brokken en Atlas Contact met de ondertitel ‘Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde’.

Een belangrijk facet van het schrijverschap van Brokken is dat hij de tijd neemt, dat wil zeggen dat hij aan zijn personages de couleur locale geeft. Om dat nu al te illustreren geef ik integraal het eerste van de 47 hoofdstukken. Als binnenkomer reik ik eerst de tekst van de uitgever op de omslag aan en roep in uw herinnering de lovende woorden die wij met elkaar uitwisselden omtrent Brokkens ‘Baltische zielen’, ‘De vergelding’, ‘De Kozakkentuin’ en ‘De gloed van Sint-Petersburg’. Als voorbereiding voor woensdag de dertiende van maart schuiven wij de komende weken door ‘De rechtvaardigen’.

Atlas Contact: ‘In “De rechtvaardigen’ beschrijft Jan Brokken het verhaal van de Nederlandse consul, Jan Zwartendijk. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte deze consul in Kaunas (Litouwen) een manier om duizenden uit Polen gevluchte Joden het leven te redden: hij schreef voor hen een visum uit voor Curaçao. Daarmee reisden de Joden met de Trans Siberië Express naar Japan, van waaruit ze zich over de hele wereld verspreidden – vrijwel allen overleefden de oorlog. In korte tijd schreef hij koortsachtig duizenden visa uit. Jan Brokken beschrijft het leven van Jan Zwartendijk en de lotgevallen van veel van de ontkomen Joden in een meeslepend epos, waarin een treffend beeld wordt geschetst van een wanhopige tijd. ‘De rechtvaardigen’ is een les in moed, in het maken van de juiste keuzes op het juiste moment.’ Jan Brokken: ‘Mr Radio Philips Alles van belang begint onverwacht en maakt je achterdochtig. Soms word je voor een onmogelijke keuze gesteld en moet je in een fractie van een seconde beslissen. Je weet het nog niet, maar je voorvoelt al wel dat de rest van je leven ervan af kan hangen. Hoe reageer je dan? Ik zou het van mezelf niet weten, en misschien heb ik me daarom als een mol in deze geschiedenis gegraven. Jan Zwartendijk hoorde de telefoon rinkelen. Hij stond al buiten met zijn tas onder de arm en een sleutel in zijn hand; hij had net de showroom en het kantoor afgesloten. Het liep tegen zes uur, OostEuropese zomertijd. De zon scheen onder de kruinen door van de bomen aan de Laisvés aléja, Vrijheidslaan, de langste en breedste boulevard van Kaunas. De radio’s glommen in de etalage; hun emblemen – vier sterren en drie golven – leken van zilver. Mr Radio Philips noemden ze hem in de stad, en altijd klonk er iets van bewondering in door, alsof hij de toestellen zelf in elkaar had geschroefd en van een elektronenbuis en luidspreker had voorzien. Meer nog dan in Nederland golden radio’s hier als voorbodes van de moderne tijd. Achterlijk kon je Kaunas allang niet meer noemen, maar het aantal telefoonaansluitingen vulde slechts een dunne gids. Iets zei hem dat het niet zonder consequenties zou zijn als hij de hoorn opnam. De datum flitste als een waarschuwing door zijn hoofd: 29 mei 1940. Hij mocht dan een doorsnee zakenman zijn – drieënveertig jaar oud, getrouwd, drie kinderen – hij was ook een buitenlander die nooit precies wist wie hij geloven moest in Litouwen. Als het even kon, hield hij een veilige afstand aan. Door de deur te ontsluiten, terug te lopen naar zijn bureau en de hoorn op te nemen zou hij alle gevaren binnenlaten van een stad die op de rand van oorlog balanceerde. Voor heldhaftigheid was hij niet in de wieg gelegd. Hij miste de ambitie. Het liefst was hij zo snel mogelijk naar huis gegaan. Een uurtje ontspanning in de tuin met Erni en de kinderen, voor ze aan tafel zouden gaan. Het was alweer zijn derde jaar in Kaunas en hij wist dat je van de warme zomeravonden moest genieten, anders kwam je de lange winter niet door. Onder de appelbomen zou de dolgedraaide wereld verschrompelen tot een wolk in de verte. Hij kon het soms niet nalaten om weg te vluchten uit de realiteit, ook al was het stompzinnig om in vrede te blijven geloven. De hele middag had hij spanning gevoeld op de zaak. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand geweest, als je de overvolle asbakken over het hoofd zag. Geen klanten, geen bestellingen. Een landerig soort rust. Hij had De Haan en Van Prattenburg om halfzes naar huis gestuurd. De Haan, die leidinggaf aan de radioassemblagefabriek, sleet zijn dagen op het kantoor. Sinds de productie was gestaakt liet hij zich alleen ’s morgens even zien op de werkvloer om het personeel te laten weten dat hij nog altijd bestond. Van Prattenburg deed de administratie en was de financieel directeur. Alleen aan het einde van de week had hij het druk, als de lonen uitbetaald moesten worden. Veel meer dan nerveus sigaretten roken en om de andere minuut naar buiten kijken hadden de heren niet gedaan. Iedereen in de stad verwachtte het Rode Leger. Maschewski was nog even gebleven, tot hij een vrouw in een veel te luchtige zomerjurk voor de etalage van de showroom had zien staan: hij was op haar afgestapt alsof ze een potentiële klant was en had hij een praatje met haar gemaakt. In het Duits, Litouws, Pools of Russisch – dat had Zwartendijk niet kunnen horen, maar hij was er wel zeker van geweest dat Maschewski vooral naar buiten was gelopen om zijn zenuwen tot bedaren te brengen. In Kaunas heerste de stilte voor de storm. De tanks konden ieder moment de stad binnenrollen om zich bij de bruggen over de Neris en Nemunas te posteren. Hij zag al voor zich hoe de Russische soldaten over de twee kilometer lange Laisvés aléja zouden marcheren die, o ironie, in de tsaristische tijd was aangelegd om meer luister te geven aan militaire parades. Het kon vandaag of morgen gebeuren. Vanaf dat moment zou het definitief gedaan zijn met het vrije, zelfstandige Litouwen. Het land zou ingelijfd worden bij de Sovjet-Unie, daar bestond geen twijfel over.
De telefoon bleef maar rinkelen. De hele week was hij nog niet één keer overgegaan. Eindelijk een order dan? Door de oorlogsdreiging maakten ze opnieuw nul omzet; het ging even beroerd als tijdens de crisisjaren die in Litouwen tot 1937, 1938 hadden voortgeduurd. Hij had vijftien werknemers van de assemblagefabriek naar huis moeten sturen en de overige twintig op non-actief gesteld. In de hele maand mei hadden ze niet één radio verkocht. De overgebleven personeelsleden hingen maar wat rond bij de lege montagetafels in afwachting van wat komen zou. Zoekend naar nieuws luisterden ze naar alle zenders die ze op de korte golf konden vinden. Volgens De Haan draaiden ze de volumeknop hoger als ze Hitler hoorden. Een order kon het niet zijn. Wie belde er nu op een doordeweekse dag even voor zessen om een gloednieuw apparaat aan te schaffen? Eindhoven was het evenmin: met het hoofdkantoor handelde hij alles schriftelijk af want internationaal telefoneren kostte evenveel als een treinreis naar Berlijn. Het moest iets anders zijn, iets wat geen uitstel duldde. Slecht nieuws ongetwijfeld. Hij hoopte dat het niet van Piet kwam. Met zijn eeneiige tweelingbroer was hij zo sterk verbonden dat hij begon te niezen als Piet tweeduizend kilometer verderop verkouden werd. Sinds de vorige maand had hij niets meer van zijn broer vernomen. Was Piet in Rotterdam geweest, op de 14de mei? Als hij niet opnam, zou hij zich de hele avond en hele nacht afvragen wat hem was overkomen. Of hield het toch verband met de dreigende situatie? En was het dan niet slap om net te doen alsof er niets aan de hand was? Hij stak de sleutel in het slot, duwde de deur open, liep de showroom door, spurtte de trap op naar het kantoor op de bel-etage, tilde de hoorn van het bakelieten toestel en hijgde: ‘Hallo… Lietuvos Philips…’ ‘Zwartendijk?’ Een Nederlander, wiens ‘r’ op zuidelijke wijze rolde. Hij bromde instemmend en trok met zijn ene vrije hand zijn stropdas wat losser – hij had de hitte mee naar binnen genomen. ‘De Decker…’ De naam zei hem niet onmiddellijk iets. ‘Nederlands gezantschap in Riga…’ Ah ja, die De Decker. ‘Excellentie…’ ‘Laat u dat maar achterwege, de tijden zijn er niet naar.’