Column

Jij bent niet zoals andere moeders

PAPENDRECHT – Piet Kaptein laat u kennismaken met een roman die in de realiteit zijn bron heeft. Hij gaat u confronteren met een arsenaal aan fictie, ontleend aan non-fictie. Het gaat om een literairproduct waarvan er in de Heimat 1 miljoen exemplaren verkocht zijn. Hij heeft het over de 462 bladzijden tellende paperback ‘Jij bent niet zoals andere moeders’ van Angelika Schrobsdorff en Nieuw Amsterdam met ondertitel ‘Het levensverhaal van een gepassioneerde vrouw’.

De titel wordt meteen door het motto voorin verklaard, want ‘Jij bent niet zoals andere moeders, je hebt geen oude handen en geen wit haar En je omringt me niet met verstikkende zorg.’ Het is de eerste strofe uit een gedicht van Peter Schwiefert, opgedragen aan zijn moeder. De moeder ontmoeten wij weer in de ondertitel, want zij is de gepassioneerde, Joodse vrouw Else Kirschner uit de Charlottenburg in het Berlijn van voor de Tweede Wereldoorlog. En om nog meer uit de doeken te doen: de schrijfster Angelika Schrobsdorff is de dochter van het hoofdpersonage Else[PK1] Kirschner. Else kent als geboortejaar 1893 en haar ouders Daniel en Minna hebben het goed, want Duitsland was hun vaderland, Duits hun taal, Duits hun cultuur en Joods hun religieuze en familiaire bewustzijn. Ze respecteerden de keizer, omdat hij nou eenmaal de keizer was en bovendien een mens onder wiens heerschappij ze in rust en vrijheid leefden, werkten en studeerden. Ze konden geld verdienen en hogere posities bereiken en tegelijk trouw blijven aan hun jodendom. Else kan het leven vieren tot de nazi’s van Hitler met hun antisemitisme in de jaren dertig er bot een eind aan maken en zij als balling in Bulgarije een heenkomen vindt. Voordat het zover is leeft Else een losbandig leven waarin huwelijkse trouw principieel taboe is. Zij verkeert met Fritz Schwiefert, Hans Huber en Erich Schrobsdorff die in gezamenlijk de Dahlemse villa frequenteren en de drie vaders zijn van respectievelijk Peter, Bettina en Angelika. De laatste baseerde haar roman op dagboeken en honderden brieven van en aan haar moeder Else. De uitdaging bij het noteren van een familieverhaal is niet alleen een bewogen geschiedenis maar vooral ook een tintelende verteltrant. Het proza van Angelika laat ik nu horen of lezen door het eerste stuk aan u door te geven. U weet van mij dat ik een hang heb naar werken over het voorspel, verloop en naspel van de Tweede Wereldoorlog: ‘Jij bent niet zoals andere moeders’ is voor mij een eyeopener. De illustratie op de omslag is in zoverre functioneel, dat Else tot de jaren dertig mag likken van het leven.
Angelika Schrobsdorffe: ‘Vandaag, 30 juni, haar verjaardag, heb ik het dunne, langwerpige boekje uit de kist gehaald waarin ik de dingen van vroeger bewaar. Het is van stevig karton met een zwart-gouden versiering langs de randen en een gouden opschrift. Er staat: levensverhaal van ons kind Else De hoeken van het boekje zijn wat beschadigd, verder oogt het als nieuw. Het is achtennegentig jaar oud. Ook de ingeplakte eerste haarlokjes van Else zijn achtennegentig jaar oud, maar ze zien eruit alsof ze eergisteren zijn afgeknipt. Ze zijn bruin, vervolgens honingblond en ten slotte, in 1897, koperrood. Is haar onvergankelijk? Vergaat het niet tot stof? Het voelt zijdeachtig aan onder mijn vingers. Toen ik Else, mijn moeder, leerde kennen, had ze bronskleurig haar, sterk als de manen van een paard. Ze oogde altijd ongekapt, ook als ze net van de kapper kwam. Haar volle, kortgeknipte krullen waren niet in bedwang te krijgen. Het was niet het enige aan haar wat niet te bedwingen was. Ik had graag haar krullen en haar vitaliteit geërfd. Maar op deze punten – en nog een paar andere – heb ik meer van mijn vader. O god, de ongerijmde gedachten die me bij de aanblik van het rode boekje overvallen, de herinneringen, het verlangen! Verlangen naar het verleden waarin ik leefde, verlangen naar een verleden waarin ik niet heb geleefd. Berlijn rond de eeuwwisseling. Wat stel ik me daarbij voor? Waarschijnlijk een intacte, inmiddels verdwenen wereld: trams en door paarden getrokken dubbeldeksbussen; kasseien en gaslantaarns; solide huizen met de kleur van koffie verkeerd en ‘deftige’ villa’s in grote tuinen; draaiorgels, bloemen- en fruitstalletjes, worst- en krantenverkopers; de eerste luxe warenhuizen; dansgelegenheden, cafés met een strijkorkestje, chique eetgelegenheden met obers in rokkostuum; variététheaters en schouwburgen; parken in alle tinten groen, met donkere, prachtige bouwwerken en onverzettelijke monumenten; de Kurfürstendamm en Unter den Linden, waar heren in een zwart colbert met een grijs gestreepte broek en dames met een mof, een met bloemen versierde hoed en een hooggesloten blouse flaneerden; en rond de stad de meren, de Spree, de dennenbossen waar de mensen in huurrijtuigen naartoe reden om te picknicken en te roeien, en waar ze in een uitspanning witbier dronken en gehaktballen aten terwijl er een militaire muziekkapel enthousiast speelde.
De wereld van mijn moeders jeugd. Was die zo? Was die intact? Daar lijkt het wel op. ‘Ik was het kleine, geliefde meisje van Joodse ouders, liefdevolle ouders, liefdevoller kan niet. Wij, mijn drie jaar jongere broertje Friedel en ik, waren gelukkige kinderen en het ontbrak ons aan niets.’ Dat schreef ze. De aantekeningen die haar moeder Minna over haar leven maakte, zijn nogal karig, en ik kan me voorstellen waarom. Minna’s literaire smaak was streng, en het boekje dat ze waarschijnlijk van een van haar vele familieleden had gekregen, stond vol met pijnlijke gedichten, zoals: Buiten bloeit alles zo prachtig/ Het is een en al geur en glans/ Rond het schomm’lend wiegje/ Zweven engelen in hemelse dans. ‘Buitenissig’ noemde ze zoiets, een woord dat ze vaak gebruikte. Een hoed kon buitenissig zijn, een persoon, een toetje, zelfs een begrip. Het beeld dat sommige mensen, vooral jongeren, van de liefde hadden, was bijvoorbeeld volkomen buitenissig. Liefde tussen man en vrouw was niet meer dan inbeelding. Kinderen waren de enige grote liefde en het enige echte geluk van een vrouw, en met dat doel sloot je een huwelijk, een weloverwogen, door de ouders gearrangeerd en geregeld huwelijk. Wat kon jou de wereld schelen met je familie waarin je je geborgen voelde; die jou nodig had, voor wie je er moest en wilde zijn, van de eerste tot de laatste snik. Dat was Minna’s instelling, en dat was de voorwaarde waarop ze trouwde met de vrolijke, hartelijke Daniel Kirschner, een man met een buikje, ogen als waterdruppels en de eigenaar van een groothandel in jurken, blouses en peignoirs. Na twee jaar werd Else geboren. De geboorteadvertentie, die vast in een Joodse krant werd geplaatst en op de eerste bladzijde van het rode boekje is geplakt, is bescheiden: Wij zijn zeer verheugd over de voorspoedige geboorte van ons gezonde dochtertje Daniel Kirschner en echtgenote Minna, geb. Cohn Berlijn, 30 juni 1893 Hoe zal ze er toen hebben uitgezien, de kleine, fragiele Minna, die ik niet anders heb gekend dan in zwarte kleren, waaruit alleen haar handen en haar gezicht staken, een lang, smal, door scepsis en melancholie verduisterd gezicht dat meteen ophelderde en begon te stralen als ze haar kleinkinderen om zich heen had. Ze rouwde nog altijd om haar zoon, had mijn moeder me uitgelegd, ze kwam niet over zijn dood heen. Siegfried, die gelukkig Friedel werd genoemd, was in 1918 overleden aan de Spaanse griep. Ik heb nooit een foto van hem gezien of een woord van mijn grootouders over hem gehoord, want alleen al het noemen van zijn naam had een desastreuze uitwerking op Minna’s gemoedstoestand. Ik kan me dus nauwelijks voorstellen hoe ze er als jonge vrouw uitzag, in lichte kleren en op haar gezicht een overmoedige lach. Nee, overmoedig was ze waarschijnlijk niet, maar wel tevreden, want haar leven, waar ze geen buitenissige eisen aan stelde, had haar een verstandig huwelijk met een goede, zachtaardige man en de geboorte van een gezond kind geschonken. Misschien was ze zelfs vrolijk of in ieder geval een beetje vrolijk, maar aanleg tot melancholie heeft ze vermoedelijk altijd gehad. Haar voorouders kwamen uit Spanje en het Sefardische bloed had haar uiterlijk bepaald: een lichte olijfkleurige huid, bijna zwarte, amandelvormige ogen en prachtig dik, golvend haar dat ze in mijn tijd in een stevige, staalgrijze knot opstak. Het gotische schrift waarin ze de belangrijkste ontwikkelingen van haar dochter in het rode boekje schreef, is even fragiel en netjes als zijzelf. Ze noteert gewicht, inentingen, het eerste tandje, de eerste stapjes en de eerste woordjes. Uit de bladzijden met de titel ‘Dagboek’ maak ik op dat Elsje al met tweeënhalve maand haar eerste jurkje draagt, met negen maanden voor het eerst de bokkenpruik opzet, op haar eerste verjaardag wordt gefotografeerd – de foto is goed gelukt – met anderhalf jaar ‘Anna Marie’, ‘Vos van onze ganzen heb je weer een weggediefd’ en ‘Word wakker, het zonnetje is al op’ zingt, met ruim twee jaar de hele Piet de Smeerpoets uit het hoofd kan opzeggen, en met vierenhalf jaar naar de kleuterschool gaat, waar ze haar eerste handwerkje maakt, dat echt alleraardigst is gelukt. Deze aantekeningen laten al duidelijk het uitgestippelde levenspad van de kleine Else zien. Ze wordt vanaf haar babytijd klaargestoomd voor een welgesteld huwelijk, waarin ze niets anders moet en mag zijn dan vrouwtje en moeder. Het is ongetwijfeld Minna die binnen het gezin de lakens uitdeelt, wat Daniel zonder protest laat gebeuren. Hij houdt van zijn vrouw en waardeert haar, hoewel ze hem nooit de warmte en tederheid geeft die meer voor hem zouden gaan betekenen dan de onberispelijke vervulling van haar huwelijkse plichten. Hij erkent haar als slimmer en intellectueler, want ze komt uit een veruit betere familie. Sigmund, haar vader, was arts in West-Pruisen; Aaron, zijn vader, bakker ergens bij de Poolse grens. Zij komt uit een gezin met zes kinderen en genoot een goede opleiding, hij had acht broers en een zus en moest op zijn veertiende van school. Zij had boeken gelezen en piano gespeeld, hij had met zijn acht broers brood moeten bezorgen en in het koor van de synagoge gezongen. Zijn moeder was vroegtijdig bij de elfde bevalling gestorven, zijn vader, een orthodoxe Jood, had overdag in de bakkerij staan zwoegen en daarna tot diep in de nacht in de Thora gelezen en de Talmoed bestudeerd. Nadat de negen zoons voortijdig van school waren gehaald, werden ze de wereld ingestuurd om een ambacht te leren – waar en wat dan ook. Ze waren alle negen in het veelbelovende Berlijn beland en bouwden daar een fatsoenlijk bestaan op. Op hoge leeftijd verhuisde hun vrome vader ook naar Berlijn, waar hij bij een van zijn zoons introk. Hij stelde huiverend vast dat zijn kinderen, die streng in de leer waren opgevoed, de geboden van de Heer zeer verwaarloosden en zwichtten voor de verleidingen van de goddeloze tijd. Ik ken maar één verhaal over mijn overgrootvader Aaron. Vermoedelijk het enige verhaal dat Else vanwege de verstrekkende gevolgen niet is vergeten. Ze moet het ergens na mijn dertiende hebben verteld, want daarvoor had ik – en dat van mijn vader – slechts over één Jood gehoord, en dat was Jezus.’