Column

Mussenlust

PAPENDRECHT – Een kijk- en leesalbum legt Piet Kaptein voor u op onze leestafel, dat een lust voor ons oog en een streling van ons gemoed is. Het gaat om een lofzang op een gevogelte dat steeds minderonze tuinen fêteert. Hij heeft het over de 136 bladzijden tellende, grandioos geïllustreerde hardcover ‘Mussenlust’ uitgegeven door Peter Müller met ondertitel ‘de huismus in 50 gedichten en 150 tekeningen van Peter Vos’.

Het voorwoord ‘Bij wijze van standbeeld’ is van Jean-Pierre Ceelen en is zo verheffend dat wij voor de tocht door het werk zelf echt tot ons moeten nemen. Met een wenk naar de komende dagen van december: dit kostelijke mussenboek is een pracht van een geschenk aan uzelf en/of naar een goede beminde. Ik wil nu een eerste introductie van deze warme ode aan de mus geven door het citeren van de tekst op de omslag, het doorgeven van een recensie van Sander Becker in het dagblad Trouw van 4 september met de titel ‘In het land der letteren fladdert de mus nog volop rond’ en het aanreiken van drie van de gedichten uit ‘Mussenlust’. Een persoonlijke opmerking: bij het tot mij nemen van de vijftig gedichten werd ik overvallen door gevoelens van nostalgie: in de achtertuin van mijn ouders in Kralingseveer liet de mus zich het meest zien, nu heeft de koolmees in onze tuin de mussenplaats ingenomen. Toch anders… Daarom heb ik gevoelens bij het motto voorin van T. van Deel: ‘Ik ging naar Artis om een mus te zien’.
De omslag: ‘Hij lijkt zo’n alledaags vogeltje, maar er is helemaal niets gewoons aan. Mus en mens zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geen wonder dat die mens zijn trouwe metgezel al sinds het begin van de jaartelling heeft bezongen in de poëzie. De mooiste, opmerkelijkste en ontroerendste mussengedichten zijn hier bijeengebracht, verrijkt met ragfijne, treffende tekeningen van Peter Vos (1935 – 2010), meesterlijke mussenman. De mus verdient een standbeeld, gehakt in woorden. Hier is het.

Sander Becker in Trouw: ‘ Het gaat niet zo goed met de huismus, maar in het land der letteren fladdert hij nog volop rond. Sinds het begin van de jaartelling hebben poëten het vogeltje bezongen, en elk jaar komen er nieuwe mussengedichten bij. In de bundel ‘Mussenlust’ staan er vijftig afgedrukt. Het boek is geïllustreerd met grandioze aquarellen van de in 2010 overleden tekenaar Peter Vos. In een waaier van poses en in een eindeloze schakering van bruin, kastanje, beige, oker, grijs en antraciet trekken de dartele creatuurtjes voorbij. Minstens zo gevarieerd zijn de poëtische karakterschetsen van de mus. Sommige dichters, niet de minsten, beschimpen de vogel om zijn spreekwoordelijke saaiheid. “Mus – onkruid onder de vogels / zo huishoudelijk / gewoon en kleurloos”, dichtte Bernlef. Anderen laten zich door de mus juist inspireren tot verheven gedachten over het leven zelf. Ze voeren het nietige vogeltje ten tonele als metafoor van liefde, zorg en seksualiteit, of als brenger van religie en spiritualiteit.De Romeinse dichter Catullus gaf vlak voor het jaar nul de aftrap. In zijn oergedicht presenteert hij de mus als huisdier waar zijn geliefde Lesbia intiem mee speelt. De dichter is stikjaloers, bekent hij in verzen waar de erotiek vanaf druipt. Wonderschoon is ook het prozagedicht van Ivan Toergenjev, over een moedermus die met doodsverachting toeschiet als haar uit het nest gewaaide kind belaagd wordt door een grote hond.
Nederlandse poëzie vormt de hoofdmoot van de bundel, uiteraard met het beroemde ‘Tjielp tjielp’ van Jan Hanlo. Ook memorabel is het gedicht dat Patty Scholten schreef ter nagedachtenis aan de ‘dominomus’, in 2005 te Leeuwarden doodgeschoten toen hij een domino-recordpoging bedreigde. Het eindigt met de woorden: ‘ruim twintigduizend stenen op één grafje’. Samensteller Peter Müller levert met deze bundel zijn vierde mussenboek af. Hij lost er een oude schuld mee af, vertelt hij aan de telefoon. “Toen ik veertien was, had ik een windbuks. Ik móest ermee schieten. Er kwam een musje langs en het was raak. Dood. Ik schrok me rot. Ik voelde me zo schuldig dat ik die buks meteen heb weggedaan.” Het werd de opmaat naar een levenslange mussenmanie. Misschien wel het mooiste gedicht is dat van Paul Laurence Dunbar, een zwarte man, kind van vrijgemaakte slaven uit het 19de-eeuwse Amerika. In dit gedicht, vertaald door Bert Keizer, staat de mus voor vrijheid. Het vogeltje tjilpt in de vensterbank zijn opbeurende lied, maar de ploeterende dichter heeft er geen aandacht voor, geketend door het bestaan: “Wij zwoegen voort met in ons hart de dood / Te laat beseffend wat dat vogeltje bood.”

Gefladderd uit de bundel:
Van Jan Hanlo
De Mus
Tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp – tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
Tjielp
etc.
Van J. Eijkelboom
Werveling
Toen, in die hoek waar eerdere wind dood blad had vergaard bracht onverhoeds een stormvlaag werveling teweeg die aks een bruine tol de lucht inging.
En uit die top daarvan ontsprong vervolgens een fontein, een zwerm voorheen verscholen, luid kwetterende mussen.
Ze leken meer te twisten dan te zingen. Toch hoorde ik in al dat leven de leeuwerikjes van de winter.
Van Ed Leeflang
Achteruitzicht
De mus is gegaan De mees is gekomen De tuinen zijn anders en anders de bomen. Anders zijn schuttingen, anders de goten van schuren. De mus is gegaan. En anders klinken de uren.