Column

Over oude wegen

PAPENDRECHT – Piet Kaptein doet een journaal in uw reisbagage dat helemaal aanreikt wat de ondertitel belooft. Hij vestig uw aandacht op een boek dat het verleden blootlegt aan de hand van wervelendeen weergaloze berichten uit de tijd. Het gaat om de 416 bladzijden tellende paperback ‘Over oude wegen’ van Mathijs Deen en uitgeverij Thomas Rap met de ondertitel ‘Een reis door de geschiedenis van Europa’.

Mijn belangrijkste optie van nu is u van het bestaan van dit boek u te berichten omdat het wis en waarachtig uw kijk op verleden en heden drastisch bij zal stellen. Ik geef u nu de tekst van de uitgever op de omslag en integraal het eerste chapiter ‘De verbeelding’, wat ik vooraf laat gaan door een persoonlijke herinnering. Het spreekt voor zich dat wij elkaar hier later onderweg ontmoeten met ‘Over oude wegen’ in de hand!
De jonge jaren van mijn bestaan bracht ik door in het dorp Kralingseveer, nu een wijk aan de oostelijke flank van Rotterdam. De weg die naar de stad leidde was de ’s-Gravenweg en die legde ik vanuit mijn geboortestek vaak te voet, op de fiets, met de brommer en in de auto af. Boodschappen doen in de stad, leren aan de HBS, spelen in het Kralingse Bos, schaatsen op de Kralingse Plas, bestellingen wegbrengen voor slager Schinkel, peddelen naar Gouda, naar de tandarts op de Schenkel, tomaten plukken bij Hein de Knor, wandelen op de zondagmiddagdagen met mijn geliefde, op visite bij boer Verkade, het geschiedde allemaal over en aan de ’s Gravenweg. Deze weg is bestraat met persoonlijke herinneringen. Hoe anders de toen geheten Hoofdweg ( nu de A 20)die liep van Rotterdam naar Gouda: de rechte weg kent voor mij geen eigen herinneringen. Ik citeer Wikipedia. ‘De ‘s-Gravenweg is een oude weg en buurtschap tussen Nieuwerkerk aan den IJssel en de Rotterdamse wijk Kralingen. De ‘s-Gravenweg is de weg waarnaar het Nederlandse gezegde ‘Zo oud als de weg naar Kralingen’ verwijst. De ‘s-Gravenweg maakt deel uit van een oude waterkering die al in de 11e eeuw liep van Gouda naar Vlaardingen. Na de aanleg van Schielands Hoge Zeedijk in het midden van de 13e eeuw kwam de ‘s-Gravenweg binnendijks te liggen.In 1679 kwamen Gouda en Rotterdam overeen om de weg tussen Gouda en Rotterdam te bestraten. Gouda nam de IJsseldijk tot Nieuwerkerk voor zijn rekening en Rotterdam bestraatte de ‘s-Gravenweg. Tot 1741 was verbinding Gouda-Rotterdam de langste straatweg van Nederland. Om de kosten van aanleg en onderhoud te dekken werd tol geheven op de ‘s-Gravenweg. Deze tol werd in 1857 opgeheven. In 1855 werd parallel aan de ‘s-Gravenweg de spoorlijn Rotterdam-Utrecht aangelegd. Deze spoorlijn heeft in 1953 een ander verloop gekregen, en is verlegd in westelijke richting. Op het tracé van de voormalige spoorlijn ligt nu Provinciale weg 219. De ‘s-Gravenweg heeft zijn landelijke karakter grotendeels behouden: het is een smalle polderweg met aan beide zijden wilgen. Het uitzicht vanaf de ‘s-Gravenweg is inmiddels minder landelijk: tussen Nieuwerkerk en Rotterdam zijn de polders grotendeels bebouwd met woningen. Er is een aantal rijksmonumenten aan de weg, waaronder het hofje van Kuijl’s Fundatie.’
Thomas Rap: ‘Al een miljoen jaar reizen mensen door Europa. Van de raadselachtige homo antecessor die zijn voetafdrukken achterliet op de kust van Engeland tot de reiziger over de snelwegen van vandaag. Onder elke voetstap ligt een vorige, onder elke verharde weg een ezelpad of karrenspoor, onder elk voetpad de afdrukken van een jager of prooidier. Toch spelen de lange, doorgaande wegen van Europa geen rol in de verbeelding of de identiteit van haar bewoners. Waarom heeft de Europeaan zo’n ambivalente verhouding ten opzichte van de doorgaande routes van zijn continent? Op zoek naar het antwoord op die vraag volgt Mathijs Deen ontheemden, struikrovers, pelgrims, gelukzoekers, veroveraars en racers die hun weg hebben gezocht langs de kusten en over de rivieren en de wegen van Europa. Van Boekelo tot Smolensk en van de eerste Europeanen tot de baronnen die rond 1900 op de openbare wegen van Europa raceten: Over oude wegen is een avontuurlijke tocht door Europa en een fascinerende reis door de tijd.’
Mathijs Deen: ‘De verbeelding Boekelo-Leersum (19680. ‘Dit is de E8,’ zei mijn vader. ‘Die loopt van Londen naar Moskou.’ We naderden een afslag. Op het asfalt stond een pijl met daaronder: E8. Ik zag het vanaf de achterbank. We waren onderweg van Twente naar de Utrechtse Heuvelrug, van mijn ouderlijk huis naar mijn grootouders. Een afstand van ruim honderd kilometer. Maar door die ene opmerking van mijn vader werd onze onderneming opgenomen in iets wat veel groter was. We reden eigenlijk een etappe van een lange, grensoverschrijdende reis tussen namen die ik kende uit de atlas, van het achtuurjournaal, van de koppen in de krant waarachter mijn vader zich vaak aan het gezelschap onttrok. Dit was wel degelijk de E8, de weg van Londen naar Moskou. De weg was grillig, vertakte zich langs talloze afslagen en zag er bedrieglijk gewoon uit; een kruispunt, een brug, doorgaand asfalt, klinkers. Maar de pijlen en aanduidingen op het wegdek spraken duidelijke taal. Dit was wel degelijk de E8, de weg van Londen naar Moskou. Mijn grootouders woonden in een huis in een bos op de Utrechtse heuvelrug. De tuinbaaswoning was tegen een koetshuis aan gebouwd, en hoorde bij kasteel Broekhuizen; een achttiende­eeuwse buitenplaats omringd door bos en vijverpartijen. Maar de kasteelvrouwe was dood en het kasteel was verlaten. Mijn opa, die verantwoordelijk was geweest voor het onderhoud van de tuin en het bos, woonde er nog steeds, samen met mijn oma. Mijn opa werkte niet meer. De tuinen waren verwilderd, de kassen waren ingezakt, het grind bemost, de ramen van het kasteel dichtgetimmerd en het gras van het enorme gazon voor het kasteel stond hoog. Mijn oma stookte een houtkachel om de eetkamer warm te houden, gaf me beschuitjes met suiker, zelfgemaakt bramensap op zelfgemaakte vla en een harkje om eindeloos door het grind te halen. In de schemer joegen ringslangen in de slotvijver, ’s nachts huilden uilen in het bos. Ik was daar gelukkig en verlangde er altijd naar om daar te zijn. Ik kan niet veel ouder zijn geweest dan acht jaar toen ik me thuis, vroeg naar bed gestuurd en nog erg wakker, in het donker probeerde voor te stellen dat ik zelf een auto kon besturen en dan naar mijn grootouders zou rijden. Ik kende de weg, toch? Als ik in de auto op de achterbank, ingeklemd door benen en armen van mijn twee oudere broers, door de voorruit op de weg keek, dan wist ik altijd: hier gaan we rechtsaf, daar gaan we links. Ik herkende alle wegen, kruispunten en afslagen die zich aandienden.
Dat was wat ik probeerde in bed op te roepen; de hele route, met alle afslagen, kruispunten en bochtige beboste stukken, de opeenvolging van witte strepen die op de stammen van de bomen waren geschilderd om de berm te markeren. Ik stelde me voor dat ik zelf zou rijden, alleen, zelfstandig, naar opa en oma. En dan kwam steevast de fantasie van de Rechte Weg
De straat uit, rechtsaf, linksaf, de kom van het dorp door, de klinkerweg het dorp uit, de bomen links en rechts, de beek, het domein van de katholieken aan gene zijde van de beek, het andere dorp met dezelfde naam, daardoorheen, het pokdalige voetbalveld van sv Boekelo, hun kleedhok, het bos daarachter, dan los van alles, onderweg. Ik spande me in, probeerde in mijn geest de weg op te roepen, vast te houden en te volgen, de bochten te nemen, de kruispunten over te steken, Beckum, Delden, het kanaal… en algauw wist ik het allemaal niet meer zo zeker. Zat ik wel op de goede weg? Waar kwam hij op uit? Dan drongen zich beelden op van andere wegen, andere kruispunten, losstaande gebeurtenissen; een beklimming in de bergen, de snelweg waar mijn vader maar liefst 120 had gereden, net zo hard als de trein daarnaast, of de plek waar Grimbold, onze eigenzinnige boxer, toen de auto op een warme zomerdag onderweg naar opa en oma afremde voor dat ene grote kruispunt, vanuit de achterbak op de achterbank klom, door het opengedraaide raampje naar buiten sprong en het bos in rende. En mijn vader die uitstapte en de hond riep en aan de riem vastmaakte en de auto in trok.
Ik raakte verstrikt in herinneringen aan gebeurtenissen, en in allerhande scenario’s waarin de verschillende losse beelden van de weg naar oma als puzzelstukken in mijn verbeelding rondzweefden, zonder dat ik ze in elkaar kon passen tot een weg, een route, die ik zelf zou kunnen volgen. Ik verdwaalde in mijn onvermogen en dat maakte me verdrietig. En dan kwam steevast de fantasie van de Rechte Weg, die van ons huis zonder kruispunten of bochten naar het bos van opa en oma voerde, links en rechts de rest van de wereld, maar recht vooruit die ene plek van geluk. En ik stelde me heldere dagen voor, waarop ik na school die weg een eindje met mijn crossfiets kon in rijden en dat ik dan staande op de trappers heel in de verte het bos van opa en oma kon zien liggen. Zo probeerde ik toegang te krijgen tot de wereld buiten het dorp; door me de wegen voor te stellen die ik in mijn verbeelding zou volgen naar de paradijselijke bestemming van het huis van mijn grootouders in het bos. Het was een eerste oefening mijn weg te vinden in de grote wereld, een eerste fantasie van zelfstandigheid. En ook al lukte het niet, ik herken het verlangen vandaag nog. En ik ben het jongetje dat het probeerde goed gezind.
Niemand onderneemt nu nog de autorit die ooit zo belangrijk, beloftevol en beladen was.
Maar mijn grootouders werden lang voordat ik de rijbevoegde leeftijd had bereikt het boshuis uit gejaagd en weggeborgen in een bejaardenwoning in de kom van het nabijgelegen dorp Leersum. Daar was het doodgaan geblazen. Mijn vader is er ook niet meer. Niemand onderneemt nu nog de autorit die ooit zo belangrijk, beloftevol en beladen was. En als ik nu probeer om met mijn ogen dicht, 45 jaar nadat ik slapeloos in bed lag, me voor te stellen hoe vanuit het dorp van mijn jeugd naar het verlaten huis in het bos te rijden, dan blijkt ook de herinnering aan de grillige E8 te zijn opgelost in de tijd. Een paar kilometer ten noorden van de oude E8 is in de jaren zeventig een snelweg aangelegd, niet in een rechte lijn van Twente naar het huis in het bos, maar toch een weg waarop je moeilijk kan verdwalen. Een weg ook die de reistijd van Twente naar zowel de Utrechtse Heuvelrug als Londen en Moskou aanmerkelijk bekort heeft. De aanduiding E8 verdween van het asfalt van wat door de aanleg van de nieuwe weg een soort ventweg was geworden, en de snelweg kreeg van het hoofdkantoor van de E­wegen in Genève een nieuwe naam: de E30. Maar dat is nooit aangeslagen. In de nationale nummering heette de nieuwe weg de A1. Met de teloorgang van de E8 verdween de Europese weg uit het nationale bewustzijn. De E30 loopt nu overigens niet meer van Londen naar Moskou. Zoals de weg naar opa en oma slechts onderdeel was van de Grote E8, zo is de oude E8 nu slechts onderdeel van de E30, die loopt van Cork naar Omsk. Ik weet zeker dat ik me daar als kind niets bij had kunnen voorstellen. En ook dat mijn vader dat nooit gememoreerd zou hebben. Want wat is een weg van Cork naar Omsk? In Omsk sluit de E30 overigens direct aan op de M51, de weg die oostwaarts voert, die verandert in de M53 en dan de M55, om uiteindelijk in Vladivostok te eindigen. De E30 maakt dus de helft uit van een transcontinentale weg van de Atlantische naar de Stille Oceaan. De weg van het ene naar het andere uiteinde van de wereld.
De weg van niemand.’