
Temperaturen hoger dan 30 graden, een kurkdroge bodem en dagenlang een brandende zon: het klinkt als het perfecte recept voor een zomer vol spectaculaire onweersbuien. Toch bleef het deze zomer opvallend vaak stil aan de hemel. Waar bleven die verkoelende plensbuien en donderslagen? En waarom levert extreme warmte lang niet altijd onweer op?
Dat klinkt misschien een beetje vreemd. Je zou denken dat temperaturen van 30 graden of meer vanzelf een keer eindigen met flinke regen- en onweersbuien. Toch werkt het niet zo simpel. Alleen warmte is namelijk niet genoeg om onweer te krijgen, meldt Rijnmond. Voor een stevige onweersbui moet een paar dingen tegelijk goed vallen. Je hebt naast warme lucht ook voldoende vocht nodig.
Droge bodem
Warmte hadden we genoeg, maar de lucht was regelmatig behoorlijk droog. Een temperatuur van 30 graden betekent namelijk niet automatisch dat het ook vochtig is. De warme lucht die vanuit het Europese vasteland naar ons toe kwam, bevatte vaak maar weinig vocht. Daardoor was er simpelweg minder brandstof beschikbaar voor zware regen- en onweersbuien.
De droge bodem helpt ook niet mee. Normaal verdampt er tijdens warme dagen veel water uit de bodem, planten en bomen. Dat vocht komt vervolgens in de lucht terecht. Maar als het wekenlang nauwelijks regent, raakt die voorraad steeds verder op. De zon kan de droge bodem dan wel flink opwarmen, maar er komt steeds minder vocht in de lucht terecht. Je krijgt dan dus wel veel hitte, maar niet automatisch meer buien.
Daar kwam nog iets belangrijks bij: hogedrukgebieden hadden deze zomer vaak de touwtjes stevig in handen. Bij hoge luchtdruk daalt de lucht van boven naar beneden. Die dalende lucht wordt warmer en droger en remt de vorming van grote buienwolken af. Je kunt het een beetje vergelijken met een deksel op een pan. Onder dat deksel kan het behoorlijk heet worden, maar de lucht krijgt moeite om hoog genoeg op te stijgen voor een flinke onweersbui.
Aan de rustige kant
Ook de straalstroom speelde mee. Dat is een soort rivier van zeer harde wind op ongeveer tien kilometer hoogte. Langs die straalstroom trekken veel lagedrukgebieden en storingen. Deze zomer lag die straalstroom tijdens de langdurige warme perioden vaak ten noorden van Nederland. Storingen uit de Atlantische Oceaan werden daardoor ook noordelijk langs ons heen gestuurd, richting de Noorse Zee en Scandinavië.
Wij zaten ondertussen vaak aan de rustige kant van het verhaal, onder invloed van hoge luchtdruk. Veel zon, weinig regen en nauwelijks storingen die de warme lucht eens flink door elkaar konden schudden. Dat verklaart meteen waarom Scandinavië tijdens zulke perioden soms juist veel wisselvalliger weer krijgt. Daar komen warme lucht uit het zuiden en koelere lucht uit het noorden of vanaf de Atlantische Oceaan makkelijker bij elkaar. Juist op zo’n grens ontstaan vaker wolken, regen en onweersbuien.
30 graden alleen is niet genoeg voor onweer
Maar het kan natuurlijk ineens omslaan. Als de straalstroom weer wat zuidelijker komt te liggen en een storing of koufront Nederland weet te bereiken, verandert het weerbeeld snel. Zeker als er dan ook vochtige lucht aanwezig is. De warme lucht wordt omhoog geduwd, de atmosfeer wordt onstabiel en ineens kunnen er wél stevige regen- en onweersbuien ontstaan.
Kort gezegd: 30 graden alleen is niet genoeg voor onweer. Je hebt ook vocht, onstabiele lucht en een goede aanleiding nodig om die warme lucht omhoog te krijgen. En juist die combinatie ontbrak deze zomer opvallend vaak. Daarom kregen we wel volop warmte en droogte, maar verrassend weinig onweersbuien.
Dit is een artikel van onze mediapartner Rijnmond.
Volg ons ook op ons WhatsApp kanaal: https://whatsapp.com/channel/0029VaoRvYF6rsQtr0tBRu3u
