De piloot die zich na een noodlanding in Papendrecht schuil hield in een konijnenhok

0
163
(c) Privé

ROTTERDAM – James Keeffe maakte in 1944 met zijn bommenwerper een noodlanding in Papendrecht. De Amerikaan hield zich in een konijnenhok verborgen voor de Duitsers. Zijn zoon Jim schreef de memoires van zijn heldhaftige vader in de Tweede Wereldoorlog, die ook nog gewoon een 20-jarige jongen vol bravoure was. “Als de Duitsers hem staande hielden, deed hij alsof hij doofstom was.”

Op 8 maart 1944 vliegt de vader van Jim, James Keeffe, terug van zijn vierde missie: het bombarderen van een Duitse fabriek in Berlijn. Tijdens de missie wordt één van de vier vliegmotoren geraakt. Wanneer een tweede motor wordt geraakt, weten ze: ze zullen Engeland niet meer gaan halen.

“En dus,” vertelt Jim, “moesten ze ergens een noodlanding maken. Mijn vader kwam uit in een plaatsje dat uiteindelijk Papendrecht bleek te zijn.” Jim vertelt het luchtig, maar de omstandigheden waren dat allerminst.

9 man direct gepakt
Een bommenwerper vervoerde tien soldaten door -40 graden luchttemperatuur. Als je het dunne wandje aanraakte, bevroor je hand eraan vast, zo koud. Een bommenwerper die vlam vatte, betekende dat tien man verloren waren. Op James’ vorige missie op de Messerschmitt vliegtuigenfabriek in het Duitse Gota waren er van de 600 bommenwerpers meer dan 45 neergehaald. “In anderhalf uur zijn er dan 450 levens verloren gegaan.”

De oudste van de groep blijft in het vliegtuig om het te laten landen. De overige negen soldaten springen eruit met hun parachute. De piloot en acht parachutisten worden direct gepakt. “Maar ééntje ontkwam er, en dat was mijn vader.” Zijn parachute blijft steken in een appelboom. Regel nummer 1 is de parachute meteen te verbergen, maar dat zou minsten een half uur in beslag nemen.

Onder de aardappelzakken
‘To hell with it’, zegt James tegen zichzelf. Hij vlucht naar een groepje mensen, maar eenmaal daar bedenkt hij zich. Hij moet juist weg van de mensen, want hij brengt ze in gevaar. “Want,” zo vertelt Jim, “de Duitsers schoten iedereen neer als ze betrapt werden geallieerden te helpen.”

“Mijn vader sprong over hekjes, dwars door de modder, op zoek naar een geschikte plek. Hij stuitte op een konijnenhok naast een woonhuis. Hij besloot zich te verstoppen onder een berg aardappelzakken in het konijnenhok.”

Jim Keeffe (c) Privé

De Duitsers hebben zijn parachute gezien, met zijn naam erop. De politie zoekt hem. Eén van hen komt het konijnenhok in. James gluurt door zijn aardappelzakken en ziet de benen van een officier. Hij houdt zijn adem in. De agent kijkt wonderlijk genoeg niet onder de aardappelzakken, draait zich om en vertrekt. James blijft liggen onder de aardappelzakken tot het donker wordt.

‘Can you help me?’
In het donker komt een oudere man het konijnenhok binnen. Hij heeft klompen aan en wortels in zijn had. Etenstijd voor de knaagdieren. James maakt de afweging. De man heeft geen pak aan en lijkt eenvoudig. Dat verkleint dat kans dat het een collaborateur is. Hij besluit hem aan te spreken. “Die man was Johannes Korteland, een nietsvermoedende boer”, vertelt zoon Jim. “Hij schrok zich natuurlijk het leplazarus. ‘Can you help me?’, vroeg mijn vader. Korteland wees op zijn horloge en zei hem dat hij over een half uur terug zou zijn.”

En dan wordt het spannend voor James. Gaat Korteland hem aangeven, of gaat hij hem helpen? Korteland zijn gedachten slaan ondertussen op hol, wat moet hij met deze Amerikaan in zijn konijnenhok? Hij besluit advies te vragen aan dokter Rietveld. Wat Korteland op dat moment niet weet, is dat de dokter Rietveld het hoofd is van de lokale verzetsbeweging. De dokter vertelt hem: “Zeg niets, tegen niemand. Zelfs niet tegen je vrouw of andere familie. Doe de gordijnen dicht en ga naar bed.”

Veel te groot pak
Ondertussen ligt James nog steeds onder de aardappelzakken, voor wat voor hem een eeuwigheid moet hebben geduurd. Eindelijk komt het verzet de jonge soldaat uit zijn benarde positie in het kippenhok bevrijden. Hij krijgt een andere outfit aan, waarin hij er op zijn minst opmerkelijk in uit moet hebben gezien. Het pak is hem veel en veel te groot. Hij bindt zo goed en kwaad als het kan het pak aan en samen met de verzetshelden vertrekt hij in het donker.

James wordt in een roeiboot gezet en door de verzetstrijders overgebracht naar Dordrecht. Een levensgevaarlijke operatie, want als de Duitsers na de avondklok roeiers tegenkomen, schieten ze ze zonder pardon neer.

De operatie geschiedt zonder kleerscheuren en vanaf Dordrecht wordt hij overgeplaatst naar Rotterdam. Per fiets. James is tijdens zijn fietstocht overdonderd door de blauwe hemel tegen de groene vlaktes, de enorme bedrijvigheid ondanks de oorlog en al die mensen op de fiets, net als hijzelf.

De doofstomme mandenmaker
In Rotterdam wordt James ondergebracht in verschillende huizen, als hij uiteindelijk wordt gestationeerd in het huis van meneer en mevrouw Jappe-Alberts. Op de zolder van de Jappe-Alberts’ duikt de Joodse familie Cohen onder. Deze familie komt drie keer per dag naar beneden, om te eten. Het dochtertje Helen Cohen is dan acht jaar oud.

Ondertussen krijgt James wat meer vrijheid. Het verzet maakt voor hem een vals paspoort met een verklaring dat hij mandenmaker is en doofstom is. Zo hoeft hij niet te praten als hij een politieagent tegenkomt. Hij durft steeds vaker naar buiten te gaan, agenten vragen hem praktisch nooit naar zijn paspoort.

Tot het een keer bijna misgaat. Jim: “Een wat oudere Duitse politieman ziet mijn vader na de avondklok op straat. Hij vraagt zijn paspoort en kijkt van zijn papieren naar zijn pak, zijn fiets op rubberbanden. Voor een doofstomme mandenmaker ziet hij er veel te welvarend uit.”

“In zijn krakkemikkige Nederlands zegt hij ook nog eens “Ja, dat klopt, ik ben doof en stom.” De politieagent ziet heus wel dat er iets mis is, maar wil er niets mee te maken hebben. ‘Ga weg’, zei hij. ‘Ga weg!’ Mijn vader was door het oog van de naald gekropen.”

De weg terug
James heeft behoorlijk wat bravoure en wordt steeds minder bang voor de Duitse soldaten. Het wordt hoog tijd voor hem om terug te keren naar Engeland en hij vraagt hulp. Verschillende lijnen worden uitgezet, maar het is niet gemakkelijk. De kust is zwaarbewaakt.

Uiteindelijk wordt hij via Breda verscheept naar België. Daar gaat het goed mis. In België wordt hij opgewacht door een jonge vrouw die hem meeneemt naar een plek in Antwerpen. Vanaf daar zal hij in een truck worden geladen naar Spanje, waar vandaan hij de oversteek zal maken naar Engeland. Althans, dat is wat hem wordt gezegd.

James gaat mee en komt uit in een gebouw waar hij plotseling nattigheid voelt. Er zijn Duitse wachters. Hij wordt ondervraagd in een kamer als er een Duitser binnenkomt. Plotseling zegt de Belgische man: ‘Nou luitenant, voor u is deze oorlog voorbij.’

De laatste negen maanden zit James in een krijgsgevangenenkamp, tot de oorlog voorbij is.

Nog steeds contact
“Wat daar het meest aan mijn pa vrat, was dat de Duitsers inmiddels een inval gedaan hadden bij de familie Jappe-Alberts, op zoek naar hem. De heer Jappe-Alberts werd direct doodgeschoten. De familie Cohen kwam in kamp Westerbork terecht. Ze overleefden de oorlog, daarna viel de familie uiteen. De jonge Helen vertrok naar Israël, waar ze nu nog steeds woont. Zij en James onderhielden contact. Helen is inmiddels 87 jaar.”

Jim Keeffe sprak op 4 mei op de dodenherdenking in Papendrecht. Hij heeft het verhaal van zijn vader opgeschreven in het boek ‘Two Gold Coins and a Prayer’. Een verhaal dat Wim de Leur vertaalt in eigen beheer en volgend jaar zal uitbrengen. ‘Twee gouden muntjes en een schietgebed.’

Dit is een verhaal van onze mediapartner Rijnmond.