Natte verf en graffiti, maar ondanks de spetters op haar kleding ontkent Myrthe

0
160

REGIO – Een 22-jarige vrouw wordt op een zondagochtend gearresteerd op de Erasmusbrug in Rotterdam. In de aanklacht staat dat ze de beroemde brug heeft ‘vernield’. Helemaal niet, houdt de verdachte stug vol.

Van plankenkoorts lijkt Myrthe* geen last te hebben als ze de Dordtse rechtszaal binnenloopt. De jonge vrouw kijkt geïnteresseerd naar het ijzerwerk dat de publieke tribune helemaal tot aan het plafond scheidt van het zittingsdeel. “Ja, iemand heeft ooit geprobeerd stoelen de zaal in te gooien. Toen kregen we die hekken”, zegt de rechter. “Oh echt!”, reageert Myrthe verrast. “Ik dacht al!”

Dan gaat de zaak beginnen en neemt de officier van justitie het woord. “U wordt ervan verdacht dat u een van de pijlers van de Erasmusbrug in Rotterdam heeft vernield, zoals dat juridisch heet.” De rechter: “U ontkent dat nog steeds?” Myrthe zegt van ja. De rechter: “Ik moet u eerlijk zeggen dat ik eerst nogal benieuwd was waar dit om ging. Vernieling van een brug, dat horen we hier niet vaak.”

De rechter vertelt wat er nu precies gebeurde boven het water van de Nieuwe Maas op de zomerse zondagochtend, nu een paar maanden geleden. “Bij de politie komt een melding dat een vrouw met zwarte kleding de Erasmusbrug bekladt. Ze heeft witblond haar en een capuchon over haar hoofd. Het gaat om graffiti. Er is verf op de brug gespoten.”

Om vijf voor zeven in de ochtend rijdt een agente over de Erasmusbrug. Ze is buiten dienst op dat moment, maar belt meteen haar collega’s en slaat alarm. Ze heeft namelijk een vrouw in korte spijkerbroek graffiti zien spuiten op een van de pijlers. Na haar belletje komen er meteen agenten aangereden. Als de vrouw wordt aangehouden heeft ze gele spetters op haar kleding en een blauwe spuitbus in haar tas. De gearresteerde vrouw loopt met de agenten naar de pijlers van de brug. Daar staat met blauwe letters geschreven: ‘Plük de dag!’ En in het geel staat er: ‘Plük!’

Plük de dag
“Pluk de dag.. op zich is dat een positieve boodschap, maar ja.. het mag niet”, zegt de rechter. “De agent gaat met zijn vinger over de verf en die is nog nat. Op de ‘u’ in Plük staan beide keren puntjes, een umlaut. Dat zou je kunnen zien als een handtekening van de artiest.”

Als Myrthe op het Rotterdamse bureau zit, worden er arrestantenfoto’s van haar gemaakt. De agenten sturen die naar de in haar vrije tijd zo alerte collega. “Ja hoor, dat is ze!”, reageert die meteen. Verfspetters, een spuitbuis, natte verf en een getuige, daar is geen speld tussen te krijgen, zou je zeggen. “Als u dit hoort, wat denkt u dan?”, vraagt de rechter aan Myrthe. “Dat ik het niet heb gedaan”, is haar antwoord. “Ik blijf bij mijn verhaal.” De afgestudeerde kunstenares in haar vrolijke blauwe trui vol versieringen zegt het rustig en vastbesloten.

“Ik ben die avond eerst naar de Kunstacademie geweest en daarna heb ik gewerkt achter de bar. Er was een examenfeest. We hebben de eindwerken bekeken en daarna zelf kunst gemaakt.” Een vriendin van Myrthe heeft als getuige een verklaring opgesteld. De advocaat leest voor: “Myrthe was aan het werk met een professionele verfstift. Die barste open. Iedere kunstenaar heeft altijd zo’n stift bij zich.” Daarmee wil ze de verfvlekken op de kleding en hand van de verdachte verklaren.

Bewijs genoeg
De rechter kijkt opzij naar zijn buurvrouw in zwarte toga. “Mevrouw de officier, dit hoor ik niet vaak. Graffiti. Waarom zitten we hier? Dit wordt toch meestal op een andere manier afgedaan, met een beschikking of een boete?” De officier: “Ik denk dat we hier zitten, omdat mevrouw ontkent.”

“Ze heeft een blauwe verfspuit en zit onder de gele vlekken. De agent vraagt of ze het heeft gedaan, maar mevrouw zegt nee.” Terwijl de officier haar strafeis formuleert, kijkt Myrthe met haar inmiddels niet meer blonde haren op het oog vrolijk toe en luistert ze geïnteresseerd. “Een natte spuitbus, een herkenning van de agente en een verdachte die onder de gele vlekken zit, ik vind het voldoende. Ze heeft die brug beklad.”

De officier eist 350 euro boete. Myrthe knikt één keer diep als ze dat hoort. “Er staan meer teksten op die brug. Dat zal wel. Maar dat maakt niet dat u nog meer teksten mag schrijven”, zegt de dame in het zwarte gewaad.

“Ik bespeur lichte twijfel in wat de officier naar voren brengt”, zegt Myrthes advocaat. “Is de politie wel zo snel ter plaatse? In een paar minuten kan er veel gebeuren. Er is verkeer en er zijn andere mensen aanwezig. Dat de verf nog nat is, zegt me niks. Misschien moet die verf wel een dag drogen. En de gele stift is niet aangetroffen bij haar. Waar moet ze die hebben gelaten?”

“En de puntjes op de u.. we weten niet of dit haar handtekening is. Ze zei net tegen me: waarom zou ik dit doen? Ik maak de hele dag kunst. Waarom zou ik op een brug tekenen?”

“Nou, dan is het nu aan mij”, zegt Myrthe als ze het laatste woord krijgt. “Het enige dat ik wil toevoegen is dat ik me in de maling genomen voel. Ik vind dit eigenlijk oneerlijk.”

De rechter zegt vervolgens dat hij een paar minuten wil nadenken over zijn oordeel. De verdachte en haar advocaat, de officier en de verslaggever verlaten de zaal en gaan in de grote wachtruimte wat drinken. Hun koffie en thee is nog nauwelijks op als ze door de bode weer naar binnen worden geroepen. De rechter heeft zijn besluit genomen.

Het vonnis
“Ik had even nodig om mijn gedachten op een rij te zetten”, zegt de rechter. “Ik kom meteen terzake: ik ga u veroordelen. Dat u het bent geweest, ligt in het signalement: een vrouw met blond haar en zwarte kleding. De agente zegt ook: dit is exact dezelfde vrouw. Ik acht wettig en overtuigend bewezen dat u op deze brug een kunstwerk heeft gemaakt. En alhoewel het een positieve boodschap is, het mag niet. Ik vind het wel wat veel dat we hier zitten.” De rechter voordeelt Myrthe tot 150 euro boete. “We gaan gelijk hoger beroep regelen”, zegt Myrthe kordaat. “Werkze nog!”, roept ze vrolijk naar de rechter als ze de zaal verlaat.

*De naam van de verdachte is om privacyredenen gefingeerd. De redactie van Rijnmond kent haar ware identiteit.

Dit is een verhaal van Maurice Laparlière voor onze mediapartner Rijnmond.