Cheryl vergeet nooit de eerste keer dat een baby op haar afdeling overleed

0
118
Cheryl van der Linde © Rijnmond

REGIO – De afdeling neonatologie in het Erasmus MC. De plek waar de allerkleinste, allerzwakste kindjes vechten voor hun leven. Rijnmond mocht een dag meelopen met Cheryl van der Linde (31), verpleegkundige op die afdeling.

Cheryl wacht me op bij de ingang van het Erasmus MC. Terwijl ze me meeneemt naar haar afdeling, begint ze al te vertellen. Ze vindt het zichtbaar leuk om haar werk aan mij te laten zien. “Daar is de kraamafdeling”, ze wijst naar een deur. Ik volg haar blik, nog lichtelijk buiten adem van de trappen die we net hebben bestegen. Daar lijkt zij geen last van te hebben. Cheryl bruist van de energie.

“En achter deze deur”, ze praat vlot door en wijst naar de deur waar we voor staan, “is de afdeling neonatologie. Daar liggen de heel zieke, zwakke baby’s, die te vroeg geboren zijn bijvoorbeeld.”

Ik slik. Ik ben nog nooit op de afdeling neonatologie geweest en heb nog nooit een te vroeg geboren baby gezien. Wat ga ik aantreffen? Hoe reageer ik op het moment dat ik een doodzieke baby zie?

© Rijnmond

Een andere wereld
We lopen de klapdeur door. Ik zie acht couveuses met piepende apparaten, draadjes, lampjes en monitoren. Maar ook overal fleurige slingers met de naam van de baby, dekentjes met dierenfiguurtjes en schattige kaartjes.
Er lopen verpleegkundigen rond die aan de machines draaien en apparaten bestuderen. Een leeg babybedje wordt verschoond. Achter in de zaal zie ik een aantal ouders met een bedrukt gezicht bij hun kindje zitten. Niemand lijkt mijn aanwezigheid op te merken.

De deur valt geruisloos achter ons dicht. Het hectische Rotterdam is even heel ver weg. De afdeling voelt als een heel kleine wereld voor heel kleine, heel zieke mensjes.

We lopen naar een couveuse in de hoek, Cheryl voorop. In die couveuse ligt Myrthe*, veel te vroeg geboren, nu 27 weken oud. Ik mag even kijken. Cheryl tilt de lap die over het glas van de couveuse ligt op. Nooit eerder heb ik zo’n klein mensje gezien. Zo’n fragiel kindje in een, zo lijkt het, veel te groot bed. Op haar lijfje talloze plakkertjes en draadjes. Haar huid is zo dun, je kijkt bijna door haar heen.

We blijven even staan. In mijn ogen vooral schrik, verbazing en medelijden. In Cheryls ogen zorgzaamheid: alsof het haar eigen baby is. Ik moet die dag nog vaak aan Myrthe denken.

De eerste keer
Al zeven jaar werkt Cheryl op de afdeling neonatologie. Het was een lang traject om er terecht te komen: eerst een opleiding tot verpleegkundige, toen nog de specialisatie kind en intensive care.

Het is een heftig beroep. Iedere week sterft er wel een kindje. “Dat went nooit”, zegt ze. We zijn gaan zitten in de glazen kamer voor de verpleegkundigen en artsen die midden op de afdeling staat.

“Wat me voor altijd bijstaat, is de eerste keer dat het gebeurde”, gaat ze verder. “Dat was in 2017, ik kwam net van de opleiding en was nog zo bleu. Daarom maakte het ook zoveel indruk op me. Ik denk dan vooral aan het verdriet van de moeder. Ze was zo aan het schreeuwen. Dat gaat echt door merg en been. Een moeder die haar kind verliest. Dat is vreselijk.”

“Dat vind ik het moeilijkste van mijn vak. Dat je ook kinderen verliest in wie je zoveel moeite en tijd steekt om ze te helpen. Soms gaat het opeens heel snel. Het kan zijn dat ik vandaag voor die patiënt zorg en dat ik over twee dagen weer op mijn werk kom, en dat die patiënt er opeens niet meer is. Dat kan heel heftig zijn, dat je dan denkt: wat is hier gebeurd?”

Werkgeluk en relativeren
Als ik meeloop is Cheryl verantwoordelijk voor twee kinderlevens. Net als de drie andere verpleegkundigen op de afdeling. Die verantwoordelijkheid is nogal wat: “Alle handelingen die ik doe, kunnen consequenties hebben, bijvoorbeeld dat een patiënt komt te overlijden.”

Heftig, vind ik. Een dagje rustig aan doen op het werk is er dus niet bij. “Mijn verantwoordelijkheid begint al op het moment dat ik mijn dienst binnenstap”, gaat ze verder. “Sinds vanochtend half acht voel ik me al heel erg verantwoordelijk voor wat er met de baby’s gebeurt. En ik vind het ook heel erg leuk. Het is iets wat me werkgeluk geeft. Ik vind het zo mooi om alles voor de kindjes te doen wat ze nodig hebben.”

“Je gaat ook wel dingen relativeren door deze baan. Dat je al snel denkt als iemand in de stress schiet: ‘Joh, wat maakt het uit, er gaat niemand dood. Het zal allemaal wel meevallen.’ Maar eigenlijk is dat ook niet eerlijk, want iedereen kan op bepaalde vlakken stress ervaren.”

Een band opbouwen
De plicht roept. Cheryl moet weg voor een overleg en laat mij achter in het glazen kamertje. Vanaf die plek hebben de verpleegkundigen zicht op de hele zaal. De hartslag van ieder baby’tje zien ze op een groot computerscherm. Ik zit er wat ongemakkelijk bij. Iedere verpleegkundige die ik zie, is druk in de weer. Allemaal hebben ze een belangrijke taak. Ik kan alleen maar toekijken. Ik staar een tijdje naar het computerscherm en zie hoe ieder hartje klopt.

Achter één van de computers gaat verpleegkundige Geja zitten. Ze noteert de gegevens van ‘haar’ baby’s in het systeem. Ik vraag haar hoelang ze dit werk al doet. “Sinds 2001”, zegt ze. “Ik heb daarvoor in een verpleeghuis gewerkt, maar ik was toe aan iets nieuws.”

Ik ben benieuwd of ze een band opbouwt met de baby’s die ze verzorgt. Hecht ze zich weleens aan de kindjes? “Altijd”, antwoordt ze. “Als er dan een baby komt te overlijden, weet ik zeker dat ik alles binnen mijn macht heb gedaan om het kindje te redden.” Het is weer stil. Ik bedenk me hoe intens dat moet zijn. Dat al die fragiele, kleine baby’s allemaal een eigen plekje in haar hart hebben.

“Ik vind dat wij onderling als collega’s goed kunnen praten over de moeilijke momenten”, zegt Cheryl als ze weer terug is. “Dat er dan iemand even een arm op je schouder legt. Zo van: gaat het?” Haar collega’s knikken instemmend. “Je hoeft niets uit te leggen, iedereen snapt het.”

‘Ik wil nú een dokter!’
Niet iedereen is geschikt voor dit werk, vervolgt Cheryl. “Je moet nuchter zijn, beide benen op de grond. Je moet niet snel in de stress schieten.”

Ze denkt even na en kijkt naar haar collega Carmen (27) die net achter een computer is gaan zitten. “Je moet ook wel een beetje een direct persoon zijn”, vult zij aan. “Je moet pit hebben, dat hebben alle meiden hier wel.” “Iedereen is heel lief”, besluit Cheryl. “Maar we kunnen ook allemaal heel duidelijk zijn. Als er een kind dreigt dood te gaan, moet je niet zeggen: ‘O, wil je alsjeblieft een dokter voor mij bellen?’ Nee. Dan is het: ‘Ik wil nú een dokter!’.”

Cheryl bij het bedje van Mint © Rijnmond

Cheryl neemt me mee naar Mint, 34 weken oud. Na de geboorte heeft ze een klaplong opgelopen. Ik zie meteen dat ze een stuk groter is dan Myrthe. Als er niet talloze slangetjes aan haar vast zouden zitten, ziet ze er bijna uit als een ‘gewone’ gezonde baby.

Ik mag toekijken hoe haar bloed wordt afgenomen. Een heel klein beetje maar, benadrukt Cheryl. “Zo’n kleine baby heeft natuurlijk ook maar heel weinig bloed.”

Ze praat liefkozend tegen Mint terwijl ze aan de slag gaat. Met haar woorden stelt ze het kindje gerust, dat onrustig om zich heen trappelt.

Intens gelukkig
Ik durf het bijna niet te vragen, maar doe het toch. Wat zijn de vooruitzichten voor Mint? Cheryl maakt zich geen zorgen, zegt ze. De kans is groot dat Mint volledig herstelt en binnenkort naar huis mag.

Het gevoel dat Cheryl ervaart als zoiets gebeurt, is moeilijk te omschrijven, vertelt ze. “Ik krijg een warm gevoel. Als er een zieke patiënt binnenkomt, dan begint het met adrenaline. Je weet niet wat er gaat gebeuren. Je moet op scherp staan. Het is dan zo fijn als het allemaal goed gaat. Dat geeft een tevreden gevoel.”

Ze is even stil. “’Tevreden’ is misschien niet het passende woord.” Ze denkt nog even na. “Je bent dan zo blij dat het mede door jou goed is gegaan. Ik kan even niet zo goed het woord ervoor vinden. Maar ik voel me dan echt intens gelukkig.”

Een uur later, als ik uit het ziekenhuis loop, denk ik terug aan die woorden van Cheryl. Ik kan me haar gevoel wel voorstellen: ik hoop dat Mint en Myrthe zullen uitgroeien tot gezonde baby’s. In de dagen die volgen, denk ik nog vaak aan ze.

Cheryl laat voor publicatie van dit artikel weten dat Mint inmiddels is opgeknapt en weer thuis is bij haar ouders. Myrthe ligt nog op de afdeling, ze groeit goed, maar heeft nog een lange weg te gaan.

* Vanwege de privacy gebruiken we niet de echte naam van Myrthe. Rijnmond heeft toestemming van de moeder van Mint om haar naam en foto te delen.

Dit is een verhaal van Renée de Coninck voor onze mediapartner Rijnmond.